Voor elke generatie is de binnenvaart anders

Adri Romijn-Fernhout (46) is een schippersvrouw met een moeder, grootmoeders en overgrootmoeders in de vaart. Sommigen onder hen zijn aan boord grootgebracht, anderen aan de wal. Allemaal staan ze hun mannetje in het varend bestaan én daarbuiten. En voor elke generatie zagen de maatschappelijke omstandigheden er heel anders uit. Adri is opgegroeid op een Dortmunder.

Ook haar moeder Bertha bracht haar jeugd door op een schip, al kwam háár moeder van een boerderij: ‘Recht onder de koeien vandaan, zo naar boord.’ Adri’s familie aan moederszijde zat in de motorschepen, die van vaderszijde had sleepschepen en sleepboten. Aan beide kanten kwamen er schippersvrouwen van de wal. ‘Maar ze waren geen van allen bang. Behalve dan Hilligje, mijn overgrootmoeder. Maar die had daar ook reden toe; haar man was een schipper die heel wat schepen verloor.’

Roekeloos
Dat weet Adri uit overlevering: haar grootvader Jan beschreef zijn vader Marten Fernhout als een schipper die altijd doorvoer, ook bij storm. ‘’T weit art’, zei Marten dan. Voor Hilligje zal het beangstigend zijn geweest steevast de storm in te moeten met een schip onder zeil en een man zonder ontzag voor de elementen. In 1914 zonk hun tjalk Onderneming, vlak voor het Oost-Friesche Gat, bij Schiermonnikoog. Het kwam in de Schuttevaer: ‘Het schip zit thans bijna gelijk met den bodem in het zand. De mast dobbert als een boei boven water.’ Het schip werd als verloren beschouwd.

Veertien jaar later, in 1928 zonk hun sleepschip bij stormweer boven de haven van Gorinchem. Toen het werd gelicht, brak het. Het duurde maanden voordat ze weer aan de reis konden. Gezonken schepen konden worden vervangen, maar dat gold niet voor de schipper. Hilligje verloor haar man een jaar later; zijn voet werd afgeklemd door een staaldraad, hij overleed de daaropvolgende dag aan de infectie. Hilligje was pas 48 en veel keus had ze niet. Ze moest doorvaren tegen wil en dank, op aandringen van de familie. Pas toen haar zoons groot genoeg waren, ging ze van boord.

Trouwen

Ook Jan Fernhouts vrouw Adriana kwam van de wal. Ze woonde in Dordrecht, Jan was er gelegerd als pontonnier. Het plan was te trouwen en aan de wal te gaan wonen. Het huis was al gehuurd, de meubels gekocht. Maar het werd oorlog en Jan trok zijn conclusies: hij kocht, zo schrijft hij, ‘een klein, lelijk sleepbootje waar bijna geen woning op was’ voor 7000 gulden, om te gaan varen naar plekken waar wat te handelen en te sjacheren viel. Ook Adriana had weinig keuze, ze moest het merendeel van de net aangeschafte meubels direct weer van de hand doen, omdat er geen ruimte voor was op de sleepboot.

Lees het gehele artikel van Corine Nijenhuis op de bron