Toen skûtsjebouwers het hout verruilden voor ijzer

Jelmer Kuipers heeft zich lange tijd beziggehouden met het bestuderen van de Friese scheepsbouw en die van ijzeren skûtsjes in het bijzonder. In zijn onlangs afgelaste lezing zou hij vertellen over hoe de ijzerbouw zich ontwikkelde op Friese scheepswerven, de opkomst, bloei en (veelal) de ondergang, de grootte van de werven en het aantal gebouwde skûtsjes. Wat waren de topjaren en waarom stopten veel skûtsjewerven in de jaren ‘30 van de vorige eeuw?

De Rot
Opvallend is dat ook in ijzer de oude vormen in stand bleven, ze werden opgebouwd met repen staal, net als eerder in planken. Het eerste geregistreerde skûtsje dat van ijzer is gebouwd is De Rot, sinds 2011 weer het dorpsskûtsje van Rottevalle. De Rot is gebouwd in 1887 op de werf Vierverlaten bij Hoogkerk in opdracht van Lieuwe van der Meulen en Tjerk van Dijk, de kasteleins van de Rottevalster herbergen De Koekoek en Het Wapen van Smallingerland.

De Rottevalsters gebruikten het skûtsje als beurtschip, dat twee keer in de week passagiers, post en kleinvee vervoerde tussen Rottevalle en Leeuwarden. De meeste skûtsjes waren echter vrachtschepen, waarop de schipper en zijn gezin woonden. Zij voeren over de meren en door de smalle vaarten met onder andere turf, mest en terpaarde.

Zeilwedstrijden
Van de eerdere skûtsjes van hout is niet een bewaard gebleven, want als een schip ‘op’ was, dan zonk het en verging het hout vanzelf. De ijzeren zeilschepen werden vanaf de jaren twintig van de twintigste eeuw geleidelijk verdrongen door de motorschepen. Jaarlijks zijn de skûtsjes nog te zien bij de zeilwedstrijden van de SKS en de IFKS. In Earnewâld is begin deze eeuw het houten skûtsje Aebelina nieuw gebouwd.

Lees het gehele artikel op de bron: nieuwblad nof

Afbeelding: De skûtsjehelling van Barkmeijer in Stroobos

RVEN
EOC