Baskische stad herbouwt zijn maritieme geschiedenis met de San Juan

Een toevallige ontdekking in Baskenland heeft geleid tot een scheepsreconstructie project dat het zeevarende verleden van de regio wil vieren. De walvisjager San Juan wordt er op originele wijze nagebouwd.

Niet alleen bouwen ze in Albaola een replica van een walvisjager, ze maakten er een compleet Maritiem Cultuurcentrum. Met naast de scheepswerf een zeevaartschool, een maritiem theater, een bootbouwschool en workshops voor modelbouw.

In 1565 vertrok het Baskische walvisjachtschip San Juan vanuit zijn station in Labrador, een haven opgericht door Baskische mariniers. Het schip was meer dan 400 jaar niet meer te zien. De 52-voet, 240-tons driemaster, maakte zich klaar voor zijn thuisreis naar de haven van San Sebastian met een lading walvisolie. Het was een van de belangrijkste centra voor scheepsbouw, maar het was ook een uitstekend toevluchtsoord en het meest geschikt in het Baskenland voor grote schepen.

Terwijl de San Juan de laatste voorbereidingen maakte voor vertrek, brak de ankerkabel van het schip in een hevige storm, waardoor het schip op drift raakte. Het schip zonk op de tien meter diepe zeebodem. Het was niets minder dan een wonder dat haar 60-koppige bemanning de schipbreuk en het koude water overleefde. De watertemperatuur komt er, zelfs in de zomer, nooit boven de 2˚C komt. Het was precies dankzij de ijskoude zee dat de San Juan vier eeuwen grotendeels intact bleef.

Xabier Agote toont een model van de San Juan aan bezoekers

Aan het begin van de jaren zeventig was de Canadese historicus Selma Huxley Barkham in het Baskische dorp Oñati, onderzoek aan het doen in de archieven van de Baskische provincie Guipúzcoa. De dorpspriester die voor de archieven zorgde, produceerde een bundel afbrokkelende archieven waarin de 16e-eeuwse reizen van Baskische walvisvaarders naar Newfoundland werden vermeld. Een van deze gegevens bleek wat waarschijnlijk het eerste voorbeeld is van een claim voor een maritieme verzekering, met betrekking tot het verlies van de duizend vaten walvisolie van de San Juan, een schat die net zo waardevol was als het goud dat door Spaanse veroveraars werd ingenomen uit meer zuidelijke delen van Amerika.

Bij hun terugkeer in de haven werden de bemanningsleden betaald in vaten walvisolie in plaats van contant geld, elk ongeveer vijf vaten. De mannen werden betaald in overeenstemming met hun positie, dus de hoofdharpoener van de San Juan ontving er nog vijf voor het gebruik van zijn chalupa, het kleine roeibootje dat werd gebruikt om walvissen te achtervolgen, te harpoenen en het terug te slepen. Eén daarvan werd ontdekt onder de romp van de San Juan en is te zien in Red Bay, het dorp dat opgroeide op de plek van de oude walvishaven.

De vroegste Baskische records van walvisvaart rond Labrador dateren uit de jaren 1540. Ze geven details over de uitgebreide handel in walvisolie die werd gebruikt voor lampen, die helderder brandden dan die gevuld met plantaardige oliën. Walvissen werden ook geprezen om hun blubber, gebruikt bij de constructie van schepen, de productie van zeep, farmaceutische producten en in de textielindustrie.

Jaarlijks zeilden gemiddeld 15 Baskische schepen van Pasajes (San Sebastian) naar Labrador, elk met minstens duizend 400 pond vaten voor het transport van walvisolie en blubber aan boord. De lampolie van walvissen werd de belangrijkste grondstof voor Baskische ondernemers, die ‘fabrieken’ aan de kustlijn ontwikkelden, om honderdduizenden vaten olie te maken, en regelmatige verzendschema’s organiseren tussen Canada en Europa om het product op de markt te brengen.

De San Juan droeg bijna duizend vaten walvisolie toen ze naar beneden ging. Het jaar nadat het was gezonken, heeft een ander Baskisch walvisjachtschip de olie teruggewonnen en toen het naar huis terugkeerde, kreeg de kapitein een schriftelijke opdracht van de eigenaren van de San Juan, aangeklaagd voor de terugkeer van zijn lading.

Lees het uitgebreide Engelse artikel op de bron: Geographical

Of bekijk hier de site van het San Juan Whaleship